Toeslag ontbrekende dienstjaren

Printvriendelijke versie

Als u op 1 januari 2005 55 jaar of ouder was, hebt u in de oude regeling, als u voldoet aan bepaalde voorwaarden, recht op de toeslag ontbrekende dienstjaren. U moet dan vanaf 1 januari 1996 onafgebroken hebben deelgenomen aan de prepensioenregeling. De toeslag geeft een fictieve opbouw van prepensioen over de jaren vóór 1 januari 1996. Als u op 1 januari 2005 jonger dan 55 jaar was en voor u dus de oude prepensioenregeling met zijn toeslag ontbrekende dienstjaren komt te vervallen, geldt het volgende voor u:

Op 31 december 2005 berekenen we uw fictieve aanspraak op de toeslag ontbrekende dienstjaren volgens een bepaalde formule. Uitgangspunt hierbij is dat we voor u een aanspraak berekenen die gelijk is aan de hoogte van de toeslag ontbrekende dienstjaren die u in de vorige pensioenregeling zou kunnen krijgen. Vervolgens kijken we of deze toeslag past in de fiscale ruimte die u over het verleden hebt. Deze ruimte is het verschil tussen het fiscaal maximaal op te bouwen ouderdomspensioen (100% van het laatstverdiende pensioengevende loon) en de aanspraken op ouderdomspensioen die u werkelijk hebt opgebouwd. Als de toeslag vervolgens past in de fiscale ruimte, vindt de jaarlijkse opbouw (en financiering) van de toeslag plaats tussen 1 januari 2006 en 1 januari 2021 (maximaal in vijftien jaar dus) of zoveel eerder als u de 61-jarige leeftijd bereikt, of als en voor zolang u blijft deelnemen in de nieuwe pensioenregeling.

Rekenvoorbeeld
Stel: u hebt een fictieve toeslag van € 7.000,- per jaar. U bent op 1 januari 2006 54 jaar en bereikt dus over 7 jaar de 61-jarige leeftijd. De jaarlijkse opbouw tot aan de datum dat uw pensioen ingaat, bedraagt dan € 7.000,- / 7 jaar ofwel € 1.000,-. Als u de bedrijfstak op 1 januari 2008 verlaat en daarmee uw deelname aan de pensioenregeling van de Snoep eindigt, wordt slechts de opbouw over 2 jaar meegegeven, dus 2 x  € 1.000,- of wel € 2.000,-